BLOG: Wie ben ik, als ik niet zorgen mag?
Wanneer je de kwaliteit ‘zorgen voor’ in je schatkist hebt meegekregen uit je voorgeslacht, heb je van nature oog voor wat de ander nodig heeft. Het gevolg kan zijn dat je niet alleen rekening houdt met de ander, maar deze kwaliteit ook gebruikt om de nood van de ander te vervullen. Al gauw ligt dan het gevaar op de loer dat je het belang van de ander vanzelfsprekend boven dat van jezelf stelt. Sterker nog, dat je jouw manier van aanvoelen en invullen niet meer afstemt met degene waar je zorg naar uitgaat. Zo wordt deze kwaliteit van jezelf uitvergroot.
Onderliggend aan zorgen is “het geven aan”. Dit is een bestaansrecht wat ieder mens nodig heeft om zich van nut te voelen in het leven. Ook wel parentificatie genoemd of overlevingsstrategie. Of ‘geven’ als passend wordt ervaren ligt aan de mate waarop dit ‘uitvergroten’ geschiet en hoe er door de ouders of andere volwassenen mee wordt omgegaan. De vraag is ook of zij je leren om hier mee om te gaan.
Het uitvergroten van een kwaliteit is per definitie een monologische aangelegenheid: je doet het zonder afstemming met de ander. Hoe dat uitpakt hangt van de volgende factoren af:
- Het kan zijn dat je ouders het zien en je helpen om deze kwaliteit passend in te zetten. Passend voor jezelf, voor hen en voor anderen.
- Het kan ook zijn dat je ouders juist deze kwaliteit in zijn uitvergrote vorm nodig hebben. Tevens is het mogelijk dat het ‘zorgen voor’ past in de cultuur waar je opgroeit qua religie, rolverdeling of andere waarden.
- Het kan ook zijn dat je ouders je niet hebben laten geven, bijvoorbeeld omdat zij jou een leven als een prins(es) gunden. Zo kun je met hen de rekening van ‘geven en ontvangen’ dus niet vereffenen. Vaak ga je dit later inhalen, door juist overmatig voor anderen (je partner, kinderen of de maatschappij) zorg te dragen. Een verplaatste vorm van geven wordt het dan.
Uit mijn praktijk
Klara spant zich enorm in voor de relatie van haar man en hun kinderen met zijn ouders. Tegelijk doet ze meer dan in haar vermogen ligt om het haar schoonouders naar de zin te maken. Dit maakt haar een uitzondering tussen de andere schoonzussen (haar partner komt uit een gezin met zeven zonen). Ze heeft daar last van, maar bagatelliseert dat. Zij en haar man Cor, zijn -tot nu toe- de enige die een zoon hebben, dus heeft opa een stamhouder. Klara ervaart het ook als geven aan haar schoonouders, in bijzonder aan haar schoonvader. Maar het verbetert de band niet tussen Cor en zijn vader. Klara is hierover hevig teleurgesteld: “Mijn vader zou een gat in de lucht springen met een naamgenoot!”
Cor heeft én een beroep én een levensovertuiging gekozen waar zijn vader, op z’n zachts gezegd, niet blij mee is. Vader laat geen kans onbenut om dat zowel aan Cor als Klara duidelijk te maken. Cor heeft er maling aan, zegt hij. Voor Klara is het juist een trigger om zich nog meer in te spannen voor de relatie van haar man met zijn familie. “Ik doe het ook voor onze kinderen!” herhaalt ze. Klara houdt het praten over haar eigen familie af. “Bij ons is alles goed,” zegt ze met regelmaat. Zo tussen de regels door denk ik te horen dat voor Klara in haar gezin van herkomst haar bedje gespreid lag. En nog krijgt ze geld toegeschoven wat ze eigenlijk niet eens nodig heeft. Haar vader heeft hun huis cadeau gegeven aan zijn dochter en schoonzoon toen ze trouwden. Ze brengt dit als een vanzelfsprekendheid en brengt het gesprek direct weer op Cor en zijn familie.
Mijn overdenkingenHet is lastig ‘ertussen te komen’ bij Klara. Ik merk dat ik geen denktijd heb om in te gaan op wat gezegd wordt. Zo kan ik niet met een passende interventie reageren, want zodra het stil valt pakt Klara de draad weer op. Ik leg me er -voor nu- bij neer en besluit te luisteren tot zij min of meer is uitgepraat. Ze heeft het, denk ik, nodig gehoord te worden. Zou er veel voor haar gedacht en ingevuld zijn? Zou zij thuis niet hebben mogen geven? Of moet ze het voor haar ouders zo goed doen dat ze zichzelf nu ook binnen haar schoonfamilie oplegt om dingen goed te doen? Is ze niet alleen druk om een goede dochter, maar ook een goede schoondochter te zijn? Of, nu ik toch aan het overwegen ben, waar het nu ten diepste over gaat bij deze vrouw, mocht/kon ze in haar eigen gezin van herkomst niet geven en is dit haar kans zichzelf te valideren? Probeert ze zo erkenning te krijgen voor wie ze echt is, een mens die wat te bieden heeft? Zou Cor dat in haar zien? Zou hij haar echt zien? Zou hij zien dat ze ernaar snakt dat ze geven mag en daardoor van waarde is?
Ik schat in van niet, want anders zou er meer balans zijn in haar geven aan anderen, zichzelf en haar eigen gezin nu. Want is zij werkelijk bezig te bemiddelen tussen haar man en zijn familie of is ze indirect alleen met zichzelf bezig? Zichzelf zichtbaar aan het maken? Wie zou zij zijn, als ze zou stoppen met dit ‘zorgen voor’ anderen en gewoon bezig zou zijn met haar eigen leven? Ik begin benieuwd te worden naar haar eigenheid, naar haar echte zelf.
Om jezelf op te bevragen
- Wanneer jij zorg hebt voor een ander, hoe kom je er dan achter of datgene wat jij wilt geven/doen, passend is voor die ander? Of hij dat ook nodig heeft?
- In welke mate houd je rekening met wat dat geven/zorgen jou kost en spreek je dat uit naar jezelf en naar de ander?
- Hoe is het evenwicht tussen jouw belang en dat van de ander? En wie bepaalt dat?
- Wat doe jij om het evenwicht bespreekbaar te maken en af te stemmen met de ander die het betreft?
Nieuwe blogs als eerste via email ontvangen?
Vul dan hier je emailadres in:Deze blogs worden geschreven door contextueel therapeut Gerrie Reijersen van Buuren en schrijfster Bella Keur om Nederland wijzer te maken. Ze proberen de diepere laag achter alledaagse thema’s te beschrijven. Niet de symptomen maar de oorzaken worden inzichtelijk gemaakt. Meer weten over leven vanuit je kracht?


