BLOG: Goed. Beter. Best!
Jezelf aan de gestelde regels houden, ze naleven of juist nieuwe regels bedenken; allemaal aspecten van de politieagent, die deze kwaliteit verbeeldt. Deze kwaliteit is erg handig om orde aan te brengen, duidelijkheid te verschaffen of veiligheid te creëren. Wanneer je deze eigenschap van nature hebt meegekregen, is het een kwaliteit van grote waarde. Het juiste gebruik ervan, voor zowel jezelf als de ander, varieert van handig tot levensreddend.
De wijze waarop je deze kwaliteit gaat gebruiken of ontwikkelen, heeft veel te maken met de wisselwerking tussen jou en je vader of moeder. Vaak heeft een van hen ook deze kwaliteit. Zoals voor iedere kwaliteit geldt, kun je ook de ‘politieagent’ wel in je hebben, maar niet ontwikkelen of gebruiken. Dan blijft hij in je schatkist zitten. Dit wordt vaak gelabeld met faalangst, luiheid; ‘hij weet het wel, maar doet het niet’. Het kan ook zijn dat je wel hebt geprobeerd om deze kwaliteit te ontwikkelen, maar het voor de ander niet goed genoeg was. Bijvoorbeeld voor je vader of moeder die deze kwaliteit al op eigen wijze heeft ontwikkeld en denkt dat dat ook de beste manier is voor zijn kind. Perfectionisme is een uitvergroting van deze kwaliteit. Vanuit de ander/ouder/maatschappij worden vaak hoge verwachtingen gelegd naar het kind/jonge student/werknemer, waar hij (nog) niet aan kan voldoen. ‘Laat maar zitten’, is dan de gedachte. Hetgeen leidt tot niets doen, want: ‘het is nooit goed genoeg’. Het kan ook zijn dat het voor jezelf niet goed genoeg is, dat je een irreëel beeld hebt van de werkelijkheid of aan irreële verwachtingen moet voldoen. Dat je anders wilt zijn dan je bent, omdat je daarmee denkt een betere zoon/dochter/partner/werknemer te kunnen zijn. Het denken te moeten, wat niet kan, kan niet alleen tot angsten leiden die je lam leggen, of ziek maken maar je ook tegelijkertijd belemmeren in dat wat je wel kunt en in wie je werkelijk bent.
Onderuitgezakt, naast mij in zijn stoel zit Bas. Zijn ouders zitten tegenover ons aan tafel. Er ligt een rode lijn op tafel. Aan het ene uiteinde staat opa, de vader van vader. Hij is verbeeld als een politieagent. In het midden staat, ook verbeeld als politieagent, de vader van Bas en aan het ander uiteinde staat Bas. Hij heeft zichzelf neergezet als een middelgroot poppetje met alleen een zwembroek aan. We zijn allemaal stil en kijken naar het beeld voor ons. “Ik wil er ook bij,” zegt moeder. Ik leg een rood koord vanuit Bas op tafel neer. “Zoek maar een poppetje op, dat jouw verbeeldt,” zeg ik. Ze pakt zonder aarzelen het poppetje dat gewichten in de lucht houdt. Ze plaatst het aan de andere kant van het rode koord dat naar het poppetje van Bas loopt. Ik wijs op het poppetje waarmee Bas zichzelf heeft verbeeld en vraag aan zijn ouders: “om welke reden zou Bas zichzelf zo uitbeelden?” “Hoe.. zo?” vraagt vader. “Wat denk jij moeder?” vraag ik haar. Moeder kijkt wat tersluiks naar haar man en dan naar Bas. Ze zegt: “ik denk dat Bas zich kwetsbaar en klein voelt, kleiner dan hij is.” Bij Bas komen de tranen op en ik zie ook boosheid als hij zegt “ik kan het nooit goed doen in vergelijking met jullie.” Het is stil. En dan gaat hij verder “jullie kunnen alles en van jullie moet ik het ook doen zoals jullie willen en vinden dat het hoort en dat kan ik niet.” Het blijft stil. Dan zegt hij zachtjes naar mij opkijkend “en dan denk ik ‘was ik maar dood’… de tweeling is precies zoals jullie willen. Ik niet.” Niemand zegt iets. Dan vraag ik aan de ouders of zij iemand kennen in hun voorgeslacht die ook muzikaal is. Alle drie kijken ze me verbaasd aan. Moeder kijkt naar vader, stoot hem aan en zegt: “Jan, jouw moeder speelde toch piano zonder ooit les te hebben gehad?” Vader kucht en verschuift op zijn stoel. Naast mij is Bas rechtop gaan zitten. “Ja, ze werkte bij de notaris voor haar trouwen en daar mocht ze spelen. Na haar trouwen stopte ze met werken. Mijn vader kon geen piano betalen en vond het ook niet iets om je druk over te maken. Ze moesten hard werken om brood op de plank te krijgen. Dus geen flauwekul.” Tijdens het praten kijkt hij soms naar Bas die gespannen luistert. Ik zie aan hem dat hij aanvoelt waar ik heen wil.
Die verbazing van alle drie snap ik. Mijn vraag over muzikaliteit lijkt ook uit de lucht te vallen. Toch niet. Hij sluit aan bij de eenzaamheid van Bas. Ik had ook kunnen ingaan op zijn opmerking over dood willen zijn, maar wat zou ons dat brengen? Ik moet er wel nog op terug komen, maar zoek eerst naar verbinding. Hij is zo alleen. Opeens schiet me zijn opmerking van de vorige sessie over zijn gitaarspel te binnen. Ik zie hem voor me binnen zijn gezinssysteem; Bas (bijna 14) is de oudste van drie kinderen. Onder hem heeft hij tweelingbroertjes (12 jaar). Hij is slim, geïnteresseerd in vele onderwerpen, was altijd vrolijk en deed goed zijn best. Een makkelijk kind, gehoorzaam, zorgzaam en behulpzaam. Hij zit nu in de tweede klas en volgt tweetalig onderwijs. Zijn ouders hebben hem, tegen het advies van de school in, daar naar toe gestuurd. In plaats van het leuk hebben, goed presteren en met plezier naar school gaan, zoals zij hadden verwacht en hem gunnen, is er weinig meer over van de oude Bas. Hij eet slecht, behaalt slechte cijfers, slaapt slecht, duimt soms weer en heeft nergens zin in. Het enige wat hij graag doet is gitaar spelen, maar dat mag pas als hij zijn huiswerk af heeft. De leerkracht wil dat de ouders hulp voor hem zoeken. Zo komen zij bij mij. Dit is de tweede keer.
Ik bedenk dat zijn ouders een koppel vormen en zijn broertjes ook. Hij is een eenling tussen deze twee koppels. Beide koppels zijn erg op elkaar gericht en beiden ook prestatiegericht. Bas niet. Niet op die manier. Hij wil onderzoeken, weten hoe het zit en nadenken of het anders kan. Hij wil niet zomaar klakkeloos doen wat hoort. Helaas heeft hij thuis niemand om mee te sparren. Hij kan zijn gedachten het best laten gaan tijdens zijn gitaarspel. Hoge cijfers boeien hem niet. Hij zit in een dilemma, want presteren is juist voor alle andere gezinsleden van zeer veel belang. Ik overweeg of hij ten diepste ook niet de kwaliteit heeft uit zijn vaders geslacht, verbeeld als een politieagent ‘het goed willen doen’, maar dan op een geheel andere wijze dan zijn vader en opa. Zou zijn kwetsbaarheid gaan over het anders zijn en weet hij geen manier om daarmee om te gaan? Zou het ook zo zijn dat anders zijn dan zij, geen optie is bij zijn ouders? Ik besluit daarop in te steken en kom zo bij mijn vraag over muzikaliteit in de voorgaande generaties.
Vragen:
- Heb jij deze kwaliteit van ‘het goed willen doen’?
- Wanneer gebruik je hem in de uitvergrote versie (niet passend en niet afgestemd op de ander) dus dat je jezelf en de ander een manier van denken/doen oplegt
- Wanneer juist wel in afstemming met de ander?
- Weet je welke innerlijke afwegingen je dan maakt? Deel je die met de ander?
- Met welke manier van omgaan van deze kwaliteit doe je jezelf het meest recht?
Nieuwe blogs als eerste via email ontvangen?
Vul dan hier je emailadres in:


